Gratis werk

Lezing over de grens tussen vrijwilligerswerk en reguliere arbeid. Conferentie ‘De zin en onzin van de Rotterdamse Tegenprestatie’.

“De verzorgingsstaat was een schild voor de zwakken, een ontlasting voor hun niet-kwetsbare familieleden. De verzorgingsstaat was ten slotte een banen-generator. De verzorgingsstaat creëerde een grote hoeveelheid banen waarin niet alleen, maar toch vooral heel veel vrouwen werk vonden. Vrouwen konden aan de slag in de kinderopvang en de naschoolse opvang terwijl andere vrouwen elders gingen werken. Vrouwen gingen betaald werk doen als verzorgende, diëtiste of activiteitenbegeleidster in verpleeg- en verzorgingshuizen. Mannen, maar ook veel vrouwen werden bijstandsmaatschappelijk werker bij de sociale dienst. Vrouwen die voorheen onbetaalde armenzorg zouden hebben gedaan voor de diaconie of de raad voor de kinderbescherming konden nu een echte baan vinden met een salaris en met carrière mogelijkheden. Hoe mooi dat was kunnen we lezen in de memoires van maatschappelijk werkster Marie Kamphuis, die haar opleiding tot sociaal werkster afrondde in de jaren dertig en er als een van de weinigen al voor de verzorgingsstaat in slaagde een betaalde baan te vinden. Ze vertelt hoe blij ze daarmee was: Lees verder en bekijk de powerpoint

Lotte zoekt werk. Pleidooi voor behoud professionele hulp

Liever geholpen door een betaalde hulpverlener dan door een buurvrouw of vrijwilligster die hulp biedt
uit naastenliefde tegen wie je ‘dankjewel’ moet zeggen, meent Margo Trappenburg. Een pleidooi tegen de beweging van de participatiesamenleving in – voor het behoud van het opleiden tot professioneel helper.

Lotte zoekt werk, lezing verschenen in Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken, winter 2016

Wat als ‘voltooid leven’ een groot succes wordt?

Het zou gaan om een kleine groep mensen. Niet ziek. Niet dementerend. Alleen heel erg oud en der dagen zat. Volledig autonoom, niet onder druk gezet door familie of andere verzorgers. Een persisterende doodswens, maar geen indicatie voor euthanasie. Die mensen mogen we niet in de kou laten staan vindt het kabinet.
Vraag voor in de verkiezingstijd. Stel dat we deze mogelijkheid aanbieden: een milde dood op bestelling na een toets door een stervensbegeleider, zonder specifieke leeftijdsgrens. Dat zou best eens een gat in de markt kunnen zijn. …

Lees verder: Wat als ‘voltooid leven’ een groot succes wordt? column in PM Publiek Denken, december 2016

Tussen kantklosprincipe en minibieb. Dubbelinterview in Bestuurskunde

Rixt Riemersma & Thomas Schillemans in gesprek met Menno Fenger en Margo Trappenburg over de participatiesamenleving
Bestuurskunde 2016 (25) 3

“In de participatiesamenleving moeten/mogen mensen veel zelf doen. Dit leidt tot een fundamentele herijking van de rol en de principes van de verzorgingsstaat. In hun recente oraties zetten de hoogleraren Fenger en Trappenburg dit onderwerp verder op de kaart. En, hoewel ze beiden het belang van lokale kennis en goede samenwerking onderstrepen, komen ze daarbij tot een radicaal andere waardering van het verschijnsel. Waar Trappenburg ons oproept om eens ‘nee’ te zeggen tegen al dat participeren’, daar wil Fenger juist onderzoeken hoe het ‘eigenaarschap van publieke instituties’ in de verzorgingsstaat ‘dichter bij burgers’ kan worden gebracht. In dit artikel resumeren en confronteren we deze beide perspectieven op de toekomst van de verzorgingsstaat.”

Lees het interview hier

Meldpunt sociaal domein: Margo Trappenburg

Er gebeuren mooie, maar ook veel gekke dingen in het sociaal domein anno 2016.
Als jij je kritisch uitlaat als hulpverlener ben je voor je het weet een oud-denker, een zwartkijker, iemand die de transitieboot heeft gemist en zo snel mogelijk moet worden vervangen door een jonge frisse nieuwe werknemer. Dus waar dan wel?
Bij mij.

Column in Vakblad Sociaal Werk (voorheen Maatwerk).

Liefdewerk oud papier. Of: de opkomst van de superburger

UvH logo

Liefdewerk oud papier. Of: de opkomst van de superburger.
Lezing over onderzoeksproject ‘Beloften van nabijheid’, UvH, Utrecht, 30 juni.

“Af en toe heb ik tegenwoordig last van enge dromen over mijn werk. Ik geef al jarenlang met veel plezier college aan de universiteit en in mijn droom kom ik ’s ochtends op mijn werk en word opgewacht door de rector. Mijn baas, zeg maar. Hij kijkt mij een beetje zorgelijk aan en zegt dat ik vast wel heb meegekregen uit de krant dat het niet meer uit kan: al dat hoger onderwijs met duur betaalde docenten en hoogleraren. Van nu af aan gaan we het anders doen. Bij elke cursus moet ik voortaan mijn beste twee studenten gaan trainen om mijn docentenrol over te nemen, de volgende keer dat de cursus wordt gegeven. Studenten staan veel dichter bij andere studenten, dus dat zal de kwaliteit van het onderwijs ten goede komen, denkt de rector. Studenten zullen de cursus bovendien gratis verzorgen; zij doen zo werkervaring op die goed van pas komt op hun cv. Zo snijdt het mes aan alle kanten tegelijk, meldt de rector optimistisch. “En ik dan, en ik dan?” piep ik in mijn droom en dan schreeuw ik dat studenten toch niet zomaar mijn werk kunnen overnemen? De rector fronst zijn wenkbrauwen. “Mevrouw Trappenburg, u bent toch hopelijk niet een van die ouderwetse docenten die niet in willen spelen op nieuwe ontwikkelingen? Want dan is er aan de nieuwe universiteit waarschijnlijk geen plaats voor u.” Tegen die tijd word ik meestal wakker, badend in het zweet, en dan weet ik dat het maar een boze droom was.”
Lees verder en bekijk de powerpointpresentatie

From “Major Decisions” to “Everyday Life”: Direct Accountability to Clients

9781137472984Schillemans, T.H., H. v.d. Bovenkamp, M. Trappenburg, From “Major Decisions” to “Everyday Life”: Direct Accountability to Clients, in: P. Mattei (ed.), Public Accountability and Health Care Governance, Palgrave, 2016, pp.165-192.

This book deals with the critical empirical void created by the speed at which healthcare restructuring has taken place in Europe. Chapters explore the political uncertainty and budgetary pressures which have led governments increasingly to turn to New Public Management (NPM)-style reforms to attempt to balance the financial viability of public health structures, with democratic imperatives to maintain socially just outcomes. The authors of this volume consider how governments have therefore shifted identities from principal care providers to contractual monitors, setting targets increasingly directed toward third-party managers in quasi-markets and the private sector. Drawing upon extensive data from Germany, Norway, the Netherlands, and Israel, the contributions explore the often unexpected policy outputs and outcomes engendered by such reforms.

Zeg eens nee tegen al dat participeren